zaterdag 27 november 2010

Al met al sloeg de bliksem toch maar zachtjes in

Langzaam loert de loensende kater welkom om de hoek. Poot voor poot nadert het zwarte beest mijn wazige gezicht. Het geeft me een kopje en likt mijn lippen. De droge ruwte van de kattentong brengt me min of meer bij zinnen - al zijn het vooralsnog geen volzinnen. Mijn rug doet pijn, je bent er weer eens op gesprongen. Moeizaam draai ik me naar jou, mij schrijlings beklemmende belager, superieure sekse. Je borsten dansen op je snelle adem door mijn blikveld, ze benemen me het zicht op je aanschijn. Ik grijp je bij de polsen en bijt in je billen, omdat je geen broek aan hebt. Je hebt nooit een broek aan. De kater hernieuwt zijn eis om aandacht, onzachter nu: er wordt in mijn oor geknauwd. Je lacht, eclatant, en verkoopt het opdringerige dier een mep met de whiskyfles. Dan zet je die aan mijn lippen en forceert slok op slok door mijn onweerbarstige keelholte. Met beven vermoed ik gauw de dronken klop, maar nog blijven hamer en deur onberoerd.
Zie je niet dat ik lijd, hoor je me niet kreunen? Hoe lang nog voor je me laat gaan? Wat een tijden, wat een zeden!
Ik wacht, ik bloed, ik voel de haat in me oprijzen. Ik trek je dichter, maak je mijn al, mijn blasfemie. Je legt je eindelijk naast me en ik beken je mijn dwaasheid. Langzaam sta je recht, je reikt me de hand en helpt me overeind. Schouder aan schouder, ongewapend, gaan we aan de rand van de wereld staan, onze naakte neuzen in de winterwind die eenzame harten sluikstort. Uit de lege afgrond krabbelt een figuur met een lange gele cape naar boven. Zijn gezicht blijft onzichtbaar terwijl hij me een zandloper aanreikt. Ik staar naar het kleinood in mijn handpalm terwijl hij je wegleidt.
Nee, niet deze keer.
Met al mijn macht werp ik de zandloper op de grond, maar die weigert te breken. Ik verpletter hem dus maar onder mijn hiel. Mijn voet barst, glas en zand mengen zich in mijn bloed. Ik keer me naar jou. Het schaarse winterlicht speelt op je gezicht, door de treurwilg waaronder je op een bankje zit. De kater spint op je schoot en knippert loom met zijn ogen. Ik heb gezondigd door te beslissen, door je de adem af te snijden. Door mijn tranen breekt je glimlach. Aan het einde van de wereld komt geen adelaar ons nog reden.

Zeg iets!

“Ik ben echt door haar gebiologeerd, maar er is geen chemie tussen ons.”

De opmerking levert de leerling een mandarijn tegen zijn appel op. Die staat vervolgens beledigd op: “Met alle Chinezen, maar niet met den deze.” De wijsgeer knippert met zijn ogen. “Daar zou ik maar moe van worden, alle Chinezen werpen.” Waardig klopt de Chinees zijn mantel af: “Allemaal, maar niet de dwergen. Niemand gooit met een dwerg.” Hij schrijdt weg. De leerling wrijft zich over het voorhoofd. Het onwaarschijnlijke gebeurt: purperen rookpluimen komen uit zijn oren. Ze wervelen zich tegader en tadaën een geest tevoorschijn. De filosoof grinnikt: “Dan heb je een geest in je hoofd wonen, blijkt het een liliputexemplaar te zijn.” Het geestje haalt de schouders op. “Hij is niet bepaald een groot licht, wel?” De student grijpt naar het paarse fantasme, maar dat teleporteert zich comfortabel naar zijn schouder. “Krijg ik tenminste wel drie wensen?” “Helaas, helaas. Ik kan maar één wens vervullen en dat heb ik in jouw geval al gedaan. Je had een advertentie gezet waarin je vroeg om een lege bovenkamer te vullen.” De leerling kijkt eerst verbaasd, dan verbolgen. “Dat was ik helemaal niet. Ik eis een andere wens.” “Werkelijk? Je bovenkamer is nochtans zeer satisfactoir ledig. Jammer, ik kan je niet helpen. Ik ga maar eens terug. Zou je overigens niet over je hoofd willen wrijven? Dat geeft een erg vervelend lawaai en ik probeer een uiltje te knappen.” Op dat moment ontsnapt het uiltje in kwestie langs een neusgat. “Verdraaid! Zeg, je hebt toevallig niet van dat bubbelplastic waarin elektronica gewoonlijk wordt verpakt? Dan kan ik dat tenminste knappen. Nee? Tja, zonder knappen dan maar. Interessante tijden verder!”

De wijsgeer en zijn leerling zitten nog een paar tellen onbeweeglijk naar de lege plek te staren die de geestige liliputter achterlaat. Dan schraapt de eerste zijn keel: “Maar om op haar terug te komen. Kan je naast haar liggen en haar je hart geven, zowel als je lichaam?” Zijn gesprekspartner trekt een gezicht. “Wat moet dat nu weer betekenen?” “Geen idee, maar Socrates stelde naar het schijnt ook altijd vragen. En zijn leerlingen, mag ik daaraan toevoegen, waren zo beleefd gewoon te antwoorden zonder tegenvraag.” “Socrates had gewoon geluk dat zijn leerlingen geen joden waren dan.” “Ben jij dan wel een jood?” “Wanneer wel?” De wijsgeer haalt uit met zijn vlakke hand. De vingerafdrukken blijven even staan op de rechterwang van de student. “Brutaal nest.” Die blijft er stoïcijns onder. “Met de nadruk op taalnest, toch?”

Labiaal

In de lichtbundel die dapper door het duister priemt ben je vooral lippenstift. Is het je stem die mijn ogen zo gefixeerd heeft? Ze dansen, je te rode lippen, nauwelijks te volgen choreografieën. Wilde je ze zo in de schijnwerpers zetten? Ze contrasteren oneindig scherp met je zwarte kleedje. Eén ander rood accent tooit je: een roos in je decolleté. Maar daar blijft mijn blik niet kleven. Ik zoek steeds weer de zoete toon van je tong. Je leest vol vuur over passie – of omgekeerd. Drijvend op je klanken betreed ik in je heilige de treden naar je altaar. Als een ordinaire voyeur houd ik me op tussen al je offergaven. Op een ander moment zou ik ze misschien intrigerend vinden, ze draaien en keren in mijn handen, ze stuk voor stuk bekijken en betasten. Maar op dit sacraalste tijdstip interesseren ze me slechts voor zover ze naar je lippen wijzen en naar de donkere vijvers van je ogen die zich daarachter ophouden. Voor zolang je nog spreekt, proclameert, ben ik je tot priester. Gewijd aan jou en de poëzie. En vooral ook wel een beetje aan je lippenstift.

maandag 22 november 2010

Res ad triarios rediit

Wie houdt je hand vast, als die je naar onder trekt?
Je bent uit de roeiboot gestapt, onwetend hoe diep het riet reikt. Nevel flardt rondom je, doordwaald van lichtjes die doof blijven voor je zieltogende schreeuw. De kou klappert je gebeente en bewerkt je longen met een woeste voorhamer.
Onverminderd trekt je hand.
Je bootje dobbert langzaam weg, onverbiddelijk buiten je bereik. In wanhoop klem je het riet aan je borst, maar dat rijt je genadeloos de huid open. Van langsom nadert het wateroppervlak. De doodsangst drijft je ertoe in je arm te beginnen knauwen, in de ijle hoop je ervan los te bijten. Zo scherp zijn je tanden immers niet. Seconden later tikt je kin het onbarmhartige water. Met een finale flinke hap nachtlucht ga je kopje onder.
Onder water weet je niets meer, slechts dat je hand je trekt. Alles revolveert daarrond.
Het wordt je merkwaardig warm, terwijl bel na bel de lucht aan je ontkomt. Het water dat je zo-even nog vijandig scheen, duffelt je in als warme donsveren. Behaaglijk rek je je in de omhelzing. Waarom verzette je je eerder zo?
Ik schuwde het onbekende.
Als je klaar water wil, moet je diepe bronnen graven.
Wie te diep graaft, stoot op gene zijde van het onmogelijke.
Laat ons een doolhof maken.
Naar ons beeld. Laat me, ik heb genoeg van Galadriels spiegel.
Je hebt het altijd zo gedaan. Geef een hand en groet jezelf; je bent zo bijzonder.
Pak dit niet verkeerd op, maar er is toch een serieuze hoek af bij mij.
Je kucht, knippert met je ogen. Je bent door en door koud. Het water is je een bevroren woning geworden. Door de luchtschacht dwarrelt de ene na de andere onbeschreven bladzijde van je ongebonden boek op je neer. Er dringt door weerkaatsing net genoeg sterrenlicht binnen om je eigen beeltenis in veelvoud je te zien omsingelen.

zaterdag 20 november 2010

Son souvenir est un soleil qui flambe en moi et ne veut pas s'éteindre

Dubbele moord en zelfmoord zonder briefje. Het zal sluiten, je vingers om het koude staal, voordat rigor mortis je geest aflost. Heb je de wereldziel gevonden? Ze spuwt je uit als de moeder die je nooit baarde.
Maar wees gerust, de zorgen die je wel, blijven tam in mijn borst rusten.
Toen ik in mijn pols sneed - een kogelgat, zo diep - doodde ik de dichter. Nu jij me verlaten hebt, ben ik nog verder van huis. Nee, staar niet zo, niet zo, sluit alsjeblieft je ogen. Hoe zal thee me ooit nog smaken? Voor eeuwig dobber jij, bleke, mooi als de sneeuw, rond in mijn glas.
Ik, de onbewogen beweger van jouw exodus. Onverstoorbaar onveranderlijk als de schuwe geest van deze heuvels, een kil huppelende Bombadil, zo laat je kou me lentekriebels. Ik zei: zoen, keer weer, corso en ricorso, de avond ben je niet en voor de ochtend nog te vroeg (maar steeds zal je wezen mogen: het warmste koudste deel van de siberisch brandende noen; middag na middag, zolang begin of einde uitblijft).
Te vaak heb ik mijn aderen voor je geopend, jij, gif in mijn bloedsomloop. Decadent heb ik me aan jou bezat, bezeten en zuur zal dat me opgerispt verbreken.
Nochtans.
Ik herinner me (opgenomen) wanneer we twee kinderen waren: tweewerf geknal.
Steeds woelt in me de pathologische leugenaar, trappelt, schreeuwt, weet me immers waarheidsloos. Ben ik de laatste goede dode op aarde? Mag ik me dan toch storten?